Op het schilderij is een vrucht te zien waar een hap uit is genomen. De zon gaat onder aan de horizon. Een leeuw brult, terwijl een lam op de grond ligt. Een koolmees jaagt op een vlieg. Onderaan ligt een slang op de grond. De slang is ineengekrompen en heeft zijn kop laag bij de grond.
In mijn schilderij staat de ondergaande zon symbool voor het goddelijke licht dat door de zondeval is verduisterd. De leeuw verbeeldt de Koning, God, die Zijn toorn laat horen over de zonde en de gebrokenheid die in Zijn schepping is gekomen. Daarmee wil ik laten zien dat de paradijselijke toestand is verdwenen en dat de vrede van het paradijs is verbroken: de leeuw en het lam kunnen niet langer samen weiden. Tegelijk gebruik ik het gestorven lam als een vooruitwijzing naar het verlossingswerk van Christus op Goede Vrijdag. De slang, die op zijn buik moet kruipen en beeft onder het gebrul van de leeuw, verbeeldt de vernedering van het kwaad en laat zien dat het onder Gods almacht en oordeel staat.

