Een vrouw in de tuin, op het moment net voordat alles verandert. De slang heeft gesproken; haar hand is al half onderweg naar de vrucht. Om haar heen bloeit de schepping nog in volle schoonheid. Maar in deze paar seconden kantelt de toekomst van de mensheid. Het is het moment vóór de daad — het moment van twijfel, verlangen en keuze.
De lelies bloeien om haar heen als tekenen van onschuld, zuiverheid en oorspronkelijke schoonheid. Juist daardoor wordt het contrast met de slang sterker: de schepping is nog gaaf, maar de verleiding is al dichtbij. De rode knoppen tussen het groen versterken het gevoel dat alles leeft, groeit en rijpt — maar ook dat er iets op het punt staat open te breken. De kolibrie is een stille getuige van dit beslissende ogenblik. De gouden schubben van de slang lijken prachtig, maar dragen de eerste leugen in zich: kwaad dat zich mooi voordoet. Het geel verwijst hier niet naar licht, maar naar haat. De half geopende hand laat zien hoe dicht de keuze al bij de daad is gekomen.



